Vrijsteden

Vrijstad ChristianiaIn de Deense hoofdstad Kopenhagen bevindt zich een buurt die Vrijstad Christiania heet. De buurt kent eigen regels en kent een vorm van zelfbestuur. Softdrugs wordt openlijk verhandeld. Als het Deense woord Christiania hetzelfde betekent als Christelijk in onze taal, dan vraag ik me af wat ze daar onder verstaan.
Het bijbelse begrip ‘vrijstad’ heeft toch een andere betekenis dan een plek waar men eigen regels stelt. Mozes stelt in opdracht van God vrijsteden in (Num. 35, Deut. 19, Jos. 20). In deze steden konden diegenen bescherming tegen de bloedwreker zoeken die per ongeluk iemand gedood hadden. Zo werd voorkomen dat deze doodslager gedood werd, voordat hij of zij terecht kon staan. Deze steden behoorden toe aan de Levieten, de stam die geen land als erfdeel in Israel gekregen had en lagen aan beide kanten van de Jordaan, verspreid over het hele land. De steden lagen allen op een berg, zodat ze goed zichtbaar waren en moesten gemakkelijk te benaderen zijn.

Dat ‘per ongeluk’ was gebonden aan strikte voorwaarden. Of het slagvoorwerp nu van hout, steen of ijzer is, als je door onvoorzichtig gebruik daarmee iemand doodt, dan ben je schuldig en heeft de bloedwreker recht op je leven. Als er vijandschap is en iemand wordt met de hand gedood, ook dat is ‘met opzet’. Alleen zij die zonder opzet, zonder vijandschap iemand ‘in der haast’ (Num 35:22) doodt, heeft het recht bescherming te zoeken in de vrijstad tot er recht gesproken is. In die rechtspraak was het belangrijk dat er meerdere getuigen waren.
God maakt heel duidelijk wat de letter en wat de geest van de wet is. ‘Gij zult niet doden’, dat klinkt luid en duidelijk. Maar mensen zoeken vele uitwegen en daarom zegt de Heere Jezus in de bergrede (Matt. 5:21-22) dat wie ten onrechte boos is op een ander, die is strafbaar. Het is zonde tegen het gebod om niet te doden. Dat luistert dus echt nauw!
Iemand die zonder opzet een ander doodt, was niet onschuldig. Het leven mag behouden worden, maar moet wel doorgebracht worden in de vrijstad zelf. Daar buiten was hij of zij het leven niet zeker. Totdat de hogepriester overleed. Dat was het moment waarop iemand vrijuit ging. Bloed ontheiligt het land (Num 35:33). Dat gold ook voor onopzettelijk vergoten bloed, al hoefde dat de doodslager niet het leven te kosten. God is niet een God van ‘zo is het en niet anders’; oog om oog, tand om tand, leven voor leven. Hij is rechtvaardig en houdt schuldigen niet onschuldig, maar laat wel rekening houden met de omstandigheden.
Bloedwraak
was (en is) buiten Europa in veel culturen een normaal verschijnsel. Het doel van bloedwraak is het herstellen van het machtsevenwicht tussen stammen en daarmee het herstellen van de eer. God denkt echter anders. Het gaat niet om het herstellen van evenwicht, maar om het handhaven van recht. Elk leven is evenveel waard. Ook hier luistert het nauw. De bijbel spreekt wel van ‘oog om oog, tand om tand, leven om leven. Maar! Als iemand een dienstknecht (slaaf) een tand uitsloeg, dan moest zo’n slaaf vrijgelaten worden (Ex. 21:27). Ook al is iemand dienstbaar, hij verdient respect. Hij is een schepping van God, net als zijn baas.
Mozes spreekt in Deut. 4:41-43 eigenlijk vrij onverwachts over de instelling van de vrijsteden. Het stuk ervoor spreekt hij het volk toe (in de eerst en tweede persoon) en in vers 41 wordt er ineens in de derde persoon gesproken. Het gaat vooraf aan de hernieuwde voorstelling van de wet (vanaf vers 44). Als het ware zegt God: denk aan Mijn instelling van de vrijsteden als de wet weer onder jullie aandacht wordt gebracht. Het gaat niet alleen om de letter, maar ook om de geest van de wet. En die luistert nauw.
Jezus is het einde (doel) van de wet (Rom. 10:4). Zijn bloed gaf Hij voor schuldigen, want wie is er niet schuldig aan dit gebod? Wie is er nooit onterecht boos geweest? Hij wordt de Hogepriester (Hebr. 6:20) genoemd en Zijn dood verlost de schuldigen die bescherming zochten in de vrijsteden. Opdat het land niet verontreinigd wordt. In het beloofde land, het hemelse Kanaan, komen geen schuldige mensen. Voor hen is verzoening gedaan door de dood van de Hogepriester. “Indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel” (2 Cor. 5:17).
“Gij zult u de weg bereiden” naar de vrijsteden. Een schuldige moest onbelemmerd in de vrijstad komen. Eeuwen later klinkt de roep van Johannes de Doper: “Bereidt de weg des Heeren.” Er is onbeperkt en onbelemmerd toegang tot de vrijstad, toegang tot de Heere Jezus. Meer nog, Hij is Zélf de Weg. Heerlijk Evangelie!

Geef een reactie