Hoe word je een pitchende prutser?

Hoe word je een pitchende prutser?

Ik zal me eerst even voorstellen: mijn naam is Anco van Moolenbroek…

Een van mijn favoriete sporten op school was softbal. In het bijzonder een plek als pitcher kon mij bekoren. Het spel begint met een één op één duel tussen de pitcher en de slagman. Het is de kunst om de bal met vaardige hand over de plaat te werpen. Het werpen vereist focus, balans en strategisch inzicht. En wat mij ook is bijgebleven: oefenen, oefenen, oefenen. Een pitcher behoort tot een andere partij dan de slagman. Het is zaak om goede slagballen te gooien, maar wel zo dat de tegenpartij op nul punten blijft staan. En toch, ik vond het ook geweldig als mijn strakke worp keihard richting een homerun geslagen werd. De voldoening van het verliezen.

Deze mijmeringen kwamen op toen ik onlangs, nagenietend van een In Between Café, naar huis reed. Want pitchen is niet alleen voorbehouden aan de centrale man of vrouw in veld of elevator, maar wordt beoefend door ieder die zijn persoonlijkheid of produkt ‘over de plaat werpt’. Met zijn kenmerkende kistje ‘pak je podium’ werden we in een waardevolle workshop P!ITCH? door Patrick van Gils aan het werk gezet met onze eigen pitch. Want als een sollicitatiegesprek een vorm van koude acquisitie is, hoe kun je dan een vonk over laten springen?! De les voor mij zat ‘m niet in de eerste plaats in de strategie, maar in het jezelf durven laten zien. En als ‘vandaag de kladversie is van morgen’, dan helpt het om van jezelf van perfectionist naar prutser te bevorderen. Prutsen is de weg naar een baan of opdracht, aldus Van Gils. Maar dan liever als een pitchende prutser, dan als een prutsende pitcher. Ach, prutsen is eigenlijk gewoon proberen. Het is gewoon oefenen in werpen. Zou daar ons woord voor ‘beoefenen’ vandaan komen?

Mijn naam is…

Spreekt mijn profiel je aan? Ben je benieuwd naar de rest van mijn pitch? Ik kom het graag een keer beoefenen! Want volgens Van Gils “begint de magic op de rand van de comfortzone.”

De klassenfoto van 2017

De klassenfoto van 2017

We schrijven 2057.

“Mam, weet u waar mijn klassenfoto van 2017 is? We hebben binnenkort een reünie.”
“Die foto is er niet, Kees *), je was niet op school toen de schoolfotograaf kwam. Dat was heel dom van de school, want ze wisten al heel lang dat we een feestje hadden. Gelukkig kregen we toen 5 euro. Om het een beetje goed te maken. Daar heb je toen wat lekkers voor kunnen kopen.”

Ieder jaar stonden ze weer voor de school: de busjes van de schoolfotograaf. Je wist al heel lang dat ze zouden komen.
In de bus was een heuse fotostudio. Met lampen en een krukje. Op de vloer stond de omtrek van een paar voeten. Ik denk van de fotograaf zelf. Daar pasten de jouwe met gemak twee keer in. Dat was makkelijk, want dan kon je weten naar welke kant je knieën moesten wijzen. Zo stond iedereen er een beetje hetzelfde op. En dat was weer makkelijk voor de meesters en de juffen. Denk ik.

Kijk, je wilde die dag niet ziek zijn. Want dan stond je er niet op. Of als je moeder net die dag ging trouwen met je stiefvader. Dan stond je op zo’n stomme trouwfoto, in plaats van op de schoolfoto. En ook niet op de klassenfoto.

Die klassenfoto, dat was dikke pret. De les werd direct gestopt als we aan de beurt waren. De directeur van de school had een schema gemaakt wanneer welke klas aan de beurt was. De stoelen en tafels gingen aan de kant. En in de hoek van het lokaal moesten we dan netjes in rijtjes zitten of staan. Sommige kinderen mochten óp een stoel staan. Voor deze ene keer.
Soms moesten we heel vroeg op school zijn, omdat er wat kinderen op tijd weg moesten. Dat was niet erg hoor. Ik was toch vroeg wakker. Die fotograaf deed altijd grappig. Ik denk dat ie wilde dat het een leuke foto werd.

Ik herinner me nog dat we in die tijd ook facebook hadden. Ene Mark vond het papieren smoelenboek van zijn universiteit maar niets. Zo ouderwets. En toen heeft ie in zijn vrije tijd snel iets in elkaar gezet dat later heel groot is geworden. Dat kwam omdat er ook steeds meer grote mensen op facebook kwamen. Er waren ouders, echt waar, die maakten elke dag foto’s van hun kind. Die werden dan gepost. Of op insta, als je ouders nog geen veertig waren. En andere mensen klikten dan op het duimpje. Dat was OK. Maar soms waren het wildvreemde mensen die OK klikten. Mijn ouders hadden geen facebook. Ik heb één fotoalbum van Albelli of de Hema. Dat weet ik niet meer. Later kreeg ik gewoon een link van een map in de dropbox. Dat was toen een heel moderne vorm van opslag.

Ja, schoolfoto’s waren zó 2017.

En ik? Ik stond áltijd op de klassenfoto. Dat was wel logisch.
Mijn vader was de directeur van de school.

*) Kees is een algemeen voorkomende naam in Nederland. Het gebruik van de naam Kees in deze blog is daarom vergelijkbaar met de Engelsman John Doe.

Waardering is de brandstof in het leven

De keren dat een workshop mij werkelijk aan het werk zette, zijn zeldzaam. Dat zegt overigens niet altijd wat over de workshop; er is altijd wel iets te leren. Maar de mate waarin het geleerde direct bruikbaar is, verschilt nogal. En heel soms heb je een workshop waarin je iets leert en vervolgens weg gaat met het gevoel dat je pas aan het begin van een nieuw traject staat. Dat overkwam mij onlangs toen ik de workshop ‘Waarderend Leiderschap’ van Drives@School volgde. Ik had me al eens wat verdiept in Appreciative Inquiry (AI) of Waarderend Onderzoeken, maar mezelf nog niet de tijd gegund om het echt tot me te nemen. De uitnodiging van Drives@School kwam dan ook heel gelegen.
Waarderend onderzoeken komt uit de de Positieve Psychologie. Nu zit positief denken, van het goede uitgaan, en optimisme best in mijn aard, maar AI heeft daar nog wel een forse dimensie aan toegevoegd. Want het goede is een vijand van het beste. En al te gauw zie je eerder wat ontbreekt, dan wat er wél is. In de woorden van Aart Brezet van Drives@school: op zoek naar het beste is zoeken naar de waarde(n), terwijl ‘goed’ aan een norm appelleert. Het beste is een hoogtepunt en met Waarderend Leiderschap worden die verhalen onderzocht die gaan over hoogtepunten in je werk. Leren van je succes in plaats van leren van je fouten.
Overigens weet workshopleider Aart Brezet in korte tijd een hele serie uitspraken te doen die het onthouden waard zijn. Een bloemlezing:

  • Er werkt altijd iets
  • Zelfs het meest irritante gedrag komt altijd voort uit een positieve drijfveer.
  • Je doel halen door je doel los te laten en te verwoorden in je vragen.
  • Onderzoeken is beïnvloeden, is de aandacht richten.
  • Achter ieder probleem ligt een behoefte of wens. De vraag is wat je moet aanleren om te zorgen dat aan de behoefte wordt voldaan. Negeren is geen oplossing, want negeren is ook aandacht geven. Praten vanuit wensen in plaats van klachten.
  • Omdraaien van ‘niet’ naar ‘wel’, zoals van werkdruk naar werkplezier. En bij verzuim: waarom kom je wél naar je werk? steeds bezig zijn met perspectief, met die kant die je verder brengt of het meeste helpt.
  • Aannames zijn de manier waarop we de wereld begrijpelijk maken.
  • Er zit een groot verschil tussen de zin: ‘ik zie het niet; en ‘ik zie het nog niet’. De eerste sluit af, de tweede laat de ruimte.

Aart heeft een missie om deficit denken uit het onderwijs om te buigen. En hij heeft ons daarvoor een waardevol instrument laten ervaren; want het was practice what you preach. En volgens mij was het dat ervaren wat bij mij het gevoel opriep van verlangen naar meer van deze aanpak. En dus heb ik me voorgenomen om waarderend onderzoeken in de praktijk te gaan brengen. Missie geslaagd, Aart!

Leren

Veel kinderen kijken uit naar hét moment: leren lezen! Een nieuwe wereld gaat open. Waar je eerst leerde van ‘horen zeggen’, krijg je nu de mogelijkheid om zelf nieuwe dingen te lezen, om je verbeelding te prikkelen, om je creativiteit te stimuleren. Schrijvers scheppen een wereld door het woord, zoals deze wereld ook geschapen is door het Woord.

Ik houd van leren. Het is toch geweldig om te zien hoe een klein kind leert lopen? Met vallen en opstaan! Wat kun je trots zijn als je kind een diploma haalt! Of het nu een veterstrikdiploma, een zwemdiploma, of een mastertitel is. Echter, een diploma is nooit een eindpunt, maar altijd een nieuw begin. Want zonder leren kun je niet leven, niet overleven.

Permanent leren is hét educatieve principe bij uitstek in de joodse traditie. Zodra je stopt met leren, dan begint het vergeten. Leren is onlosmakelijk verbonden met de schepping. Zoals de Schepper iets nieuws maakte, zo zijn zijn schepselen nieuws-gierig. Leergierigheid is het verlangen om iets nieuws te ontdekken. Leren is het luisteren naar verlangen!

Een leven lang leren wordt in het Hebreeuwse alfabet schitterend weergegeven met de letter lamed, ל. Het is de koning van de letter, omdat hij – zoals koning Saul – met kop en schouders boven alle andere uitsteekt. Alle letters van het Hebreeuwse alfabet hangen als het ware aan een bovenlijn. Alleen de lamed prikt er doorheen, reikt tot aan de hemel. Een prikstok. Dat is ook de betekenis van deze letter. Zoals de prikstok van een kamelendrijver. Het is een stimulans om door te gaan.

De lamed schrijf je (van links naar rechts) als למד – lamed-mem-dalet. Ze kunnen ook uitgesproken worden als Lamad, dat leren, studeren, inleven betekent. Als je limmééd zegt, dan bedoel je iemand iets aanleren. En een lamdaan is een geleerde. En om niet meer te noemen: talmoed is leer.

Na de lamed staan de mem en de dalet. Deze letters betekenen de deur (dalet) en water (mem). Ze symboliseren het uitgaan in de wereld (zoals je door de deur naar buiten gaat) en de reis door de tijd. Een levenslang leren is nodig om uit te gaan in de wereld en de tijd door te komen!

Maar wat is dan de zin van leren? De eerste keer dat het woord lamad in de Bijbel gebruikt wordt, staat in Deuteronomium 4:1. “Nu dan, Israël, hoor naar de inzettingen en de rechtsregels die ik u leer om te doen, – opdat ge zult leven en binnenkomen en beërven zult het land dat de ENE, de God van uw vaderen geeft aan u.” (Naardense Bijbel).

Leren is het luisteren naar verlangen. Leren is ook het verlangen naar luisteren! En verlangen zit in ons hart, in het Hebreeuws lev: לב – lamed-beth. Beth betekent huis. Zie je, verlangen is de prikstok in je huis. Verlangen is wat ons voortdrijft. Wat we leren, moet door ons hart heen gaan en ons aanzetten tot handelen. Handelen en wandelen volgens de inzettingen van de Eeuwige. Horen en gehoorzamen zijn een stelletje. Leren om te weten hoe je moet leven. Daarom gaf God Zijn geboden en inzettingen. Daarom sprak Jezus: Ik ben de Deur.

Om door de woestijn van het leven heen in het Beloofde land te komen. Want door de wereld gaat een Woord. En het drijft de mensen voort.

Blog verschenen op MessiaNieuws – 31 januari 2017

Geven is een levenskunst

IMG_20151204_193246Het is Sinterklaas 2015 wanneer ik de V&D bezoek. Voor de laatste keer. Maar dat wist ik toen nog niet. We vieren de verjaardag van de Sint op een eigen wijze. Geen verrassingen – ook wel surprise genoemd, geen rammelende rijm – ook wel gedicht genoemd. Wel hebben we als gezin de gebruikelijke lootjes getrokken. Om dan in een uur een kadootje voor het lootje te scoren tegen het maximum bedrag van tien euro. Meer geven we niet – uit. Het gaat tenslotte om de aandacht die je elkaar geeft.

Want volgens de heren Vroom en Dreesman is geven veeeel leuker dan krijgen. Deze gedachte hangt ons bij V&D boven het hoofd. Veeeel leuker. En toch knaagt deze kreet wel enigszins aan mijn gemoed. Het doel van V&D is toch immers beperkt tot het overhevelen van ‘have en goed’? Het hele warenhuis ventileerde de vraag: wat heb je nodig? Maar niemand had nog iets nodig van V&D. Wij zijn immers niet meer afhankelijk van een fysieke plek? Ons consumerende bestaan is vooral virtual reality geworden. En daarom is de tent nu dicht; ze gaven teveel – uit.

Niettemin, de vrome oproep van V&D heeft hele oude papieren. In de Bijbel neemt Paulus zichzelf als toonbank als hij zegt: In alles heb ik u getoond dat u de zwakken zo, door hard te werken, moet steunen, indachtig de woorden van de Heer Jezus, die immers gezegd heeft: “Geven maakt gelukkiger dan ontvangen.” (Handelingen 20:35).

Geven maakt gelukkiger dan krijgen. Het is zelfs wetenschappelijk aangetoond (pdf). Geven blijkt zelfs een geglobaliseerd geluksgevoel te zijn. En helemaal euforisch kan een gever worden deze het idee heeft dat zijn gave in goede aarde valt.

Het idee alleen al.

Waaróm maakt geven gelukkiger? Andere geleerden, zoals de filosoof Levinas en de psychiater Böszörményi-Nagy, hebben behartigenswaardige woorden gewijd aan zijn en geven. Ik vat het in eigen woorden. Een kind dat geboren wordt, ontvangt het leven. Vader en moeder hebben het leven gegeven aan hun kind. Leven is een gift. En voor het kind zit er daarom niets anders op dan zelf ook te geven. Zo alleen kan de levensgrote gift worden terug betaald. Zo alleen kan het leven worden ontvangen. Hoe? Door een tegenover te zijn voor de ander. Zoals Levinas treffend stelt: ik word ik in het aangezicht van de ander. Dan alleen kom je jezelf tegen en ontmoet je de ander. Want geven maakt gelukkiger dan ontvangen. Als echter mijn geven niet gezien wordt, dan voelt dat als een afwijzing. Van mijn persoon. Van mijn bestaan. En dat is niet terecht. Want ik besta.

de barmhartige samaritaan

Nu dat klinkt nogal filosofisch. Waar in de Bijbel zegt Jezus dat geven gelukkiger maakt dan ontvangen? Het mooie is dat deze woorden van Jezus helemaal niet in de Bijbel opgeschreven zijn. Wel vertelde Jezus ooit een verhaal over een man die neergeslagen was door brute rovers. Voor dood lag hij langs de zelfkant van de samenleving, terwijl de andere kant aan hem voorbij trok. Tot één man, ook een verschoppeling, bij hem stil stond, hem ter plekke hielp en zorgde voor een hoopvolle toekomst.

Wat was de aanleiding tot de vraag: wie is mijn naaste? Zijn eerste vraag was namelijk: Meester, wat moet ik doen om eeuwig te leven? En op Jezus’ antwoord: heb God lief en je naaste als jezelf, moet hij gedacht hebben: Meester, ik kan u niet helemaal volgen… Want de vragensteller wilde zichzelf rechtvaardigen. Wie denk je, vroeg Jezus toen aan de samenleving, is de ander geweest voor die ene? Dat is de vraag: wie ben ik voor de ander? De samenleving vroeg echter: wie is mijn naaste? Deze laatste vraag, vraagt om een oordeel over een ander. De eerste vraag oordeelt mijzelf. Nu kun je de vraag stellen: wat gaf de terneergeslagen man? Simpelweg: zijn aanwezigheid.

Hoe leren we onze leerlingen dat geven gelukkiger maakt dan ontvangen? Door hún geven te zien. En ik weet van mezelf: daar moet ik steeds aan werken, dat moet ik elke dag beoefenen.

“Alle kinderen verdienen een zo passend mogelijke plek in het onderwijs. Onderwijs dat leerlingen uitdaagt, dat uitgaat van hun mogelijkheden en rekening houdt met hun beperking.” (www.passendonderwijs.nl). Deze twee zinnen vormen een wereld van gedachten. De eerste vraag die in deze wereld gesteld wordt is: wat heb je? En de tweede vraag luidt: wat heb je nodig? De eerste vraag kan leiden tot buitensluiten; en de tweede tot afhankelijkheid en consumentisme. Ja, passend onderwijs is net als V&D. Eigenlijk niet meer van deze tijd…

Welke ándere vragen zouden we moeten stellen? De eerste: wie ben je? En de tweede: wat kun je geven? De eerste vraag onderkent het bestaan; de tweede vraag erkent het bestaan. Beide vragen leiden tot zelfvalidatie en zelfvertrouwen van de ander én van mezelf.

Wat heb je nodig of Wat heb je te geven. Het is een wereld van verschil. Toen ik dit inzicht onlangs in een gesprek benoemde, sprak mijn gesprekspartner direct en enthousiast: “ik voel het verschil.” Dat is het. Het verschil is te voelen. Want verschil mag er zijn, zodat het verschil gemaakt kan worden. Juist in het onderwijs waar leren interactie is. Waar de een niet zonder de ander kan.

En als de ander je zegt: “mees, ik kan u niet volgen…”, dan heb je wat uit te leggen.